Na de oorlog leed ik nooit geen honger meer dankzij GLB
‘Wat eten we vandaag’, is vandaag een van de meest gestelde vragen in de Vlaamse keukens. Nog niet zo heel lang geleden was het echter nog niet zo evident of er wel iets te eten viel. De oorlogsjaren waren voor veel mensen ook letterlijk magere jaren.

Het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) heeft zijn wortels in het West-Europa van na de laatste wereldoorlog. De samenleving was toen getekend was door de jarenlange oorlog, de landbouw was vleugellam en de voedselvoorziening kon niet worden gegarandeerd. Het GLB heeft dan ook, zoals elk ander landbouwbeleid, als belangrijkste doel de productiviteit van de landbouwsector te bevorderen. Zo kregen de consumenten een stabiele voedselvoorziening tegen betaalbare prijzen.
Daarbij wordt bovendien erkend dat dit enkel kan door de landbouw in de EU levensvatbaar te houden. Via subsidies en gegarandeerde hoge prijzen stimuleerde het GLB de landbouwers om meer te produceren. De gegarandeerde hoge prijzen zijn intussen verlaten; de markt bepaalt vandaag de prijs. Om de voedselzekerheid te allen tijde te garanderen werden de landbouwers gedeeltelijk gecompenseerd met directe betalingen. Zo kan de boer ook bij slechte prijsvorming het broodnodige voedsel blijven produceren. Daarnaast verleent Europa financiële steun voor de herstructurering van de landbouw.
Dit beleid ligt aan de basis van snel opeenvolgende productiviteitsverbeteringen, een hogere productie en een gegarandeerde voorziening voor de meeste voedingsproducten.
Daarenboven wordt jaarlijks 500 miljoen euro besteed aan voedselhulpprogramma’s voor de meest behoeftige Europeanen. In 2006 hebben meer dan 13 miljoen mensen van deze steunregeling geprofiteerd. Het GLB werkt dus niet enkel aan voedselzekerheid voor de Europese samenleving in zijn geheel, maar ook voor elke Europeaan afzonderlijk.
|