Ik kan blijven boeren dankzij GLB
Boer zijn is geen job als een ander. Economische regels die voor de meeste sectoren geldig zijn, zijn veel minder van toepassing voor de landbouw.

Zo blijft de vraag naar landbouwproducten nagenoeg altijd gelijk. Als we genoeg gegeten hebben, hebben we genoeg. Als de graanprijs daalt, eten we toch niet meer boterhammen. De sector kan dus geen overschotten op de markt kwijtraken door de prijs te laten dalen. Maar het omgekeerde is ook waar. Als de graanprijs stijgt, gaan we toch geen boterhammetje minder met de kinderen meegeven. Dan besparen we wel ergens anders.
Boeren kunnen ook niet plots hun productie veranderen. Wanneer varkenshouders hun vlees met verlies moeten verkopen, zullen ze een hele tijd toch niet minder vlees gaan aanbieden. Je kan jonge varkens immers niet enkele weken op economische werkloosheid zetten.
Daarnaast heeft de landbouw vaak te kampen met het wisselende humeur van de weergoden. Een fikse hagelbui of lange droogte kunnen ronduit dramatische gevolgen hebben. Ook dier- en plantziekten vormen een voortdurende bedreiging.
Dit maakt dat boeren een zeer risicovolle bezigheid is. Een slecht jaar of een tegenslag kunnen in het slechtste geval een boer noodzaken te stoppen. Wanneer dan meerdere boeren tegelijkertijd zouden stoppen, dan zou de prijs plots pijlsnel en voor langere tijd stijgen. En komt de voedselzekerheid in gevaar.
Om die voedselzekerheid te allen tijde te garanderen voorziet het Europese gemeenschappelijke landbouwbeleid in directe betalingen. Zo kan de boer ook bij slechte prijsvorming het broodnodige voedsel blijven produceren.
|